De Tango heeft zijn wortels in Buenos Aires en Montevideo, in een milieu van Europeanen, voormalige slaven en Zuid-Amerikanen. De mengelmoes van culturele stijlen gaf de dans zijn unieke karakter.

Aanvankelijk was Tango vooral een aangelegenheid van mensen in de druk bevolkte voorsteden. Vanaf 1910 echter raakte de dans bekend in Europa, werd daar een groot succes dat vervolgens ook terugsloeg naar de sociale bovenlaag in Argentinië zelf. Vanaf dat moment werd tango veel meer dan een dans. Het werd een cultuur waarvan niet alleen dans, maar ook literatuur en muziek deel uitmaakten. Grote zangers, dichters, musici, componisten en orkestleiders bouwden vanaf 1930 aan de tango als mondiaal cultureel verschijnsel. De bloeitijd beleefde deze beweging tussen ca 1930 en 1950.

Tussen 1960 en 1983 ging de tangocultuur bijna verloren. Dat kwam deels door de concurrentie van de popmuziek, maar ook door de militaire dictatuur in Argentinië die de tango wilde verbieden, met name omdat ze bevreesd waren voor de kritische en intellectuele cultuur die er mee verbonden was. Veel dansers en musici gingen naar Amerika en Europa. Dat betrof ook Astor Piazzolla die onder meer in New York, Italië en Parijs woonde. Hij gold in zijn tijd als een van de meest vernieuwende tangomusici. Veel Nederlanders kennen zijn muziek van Adiós Noniño dat werd gespeeld bij gelegenheid van het huwelijk van Prins Willem-Alexander met Prinses Maxima. Op de Amerikaanse en Europese podia kreeg de tango vanaf 1983 een nieuw leven. Zeven jaar later werd in Arnhem Flor de Fango opgericht.

International Dance Council

Flor de Fango is lid van de International Counsel of Dance van UNESCO. Het CID heeft de Argentijnse tango erkend als immaterieel cultureel erfgoed.

 


Foto: Helge Høifødt CC BY-SA 3.0